maandag 25 oktober 2010

25-10 Geklauter in de Grampians

Australië heeft zes staten en twee zogeheten Territories, hetgeen min of meer ook staten zijn maar het is niet politiek correct om dat zo te zeggen, dus doen wij dat lekker niet. Zoals u weet vinkten wij de voorbije maanden zonder dralen New South Wales, Queensland, het Northern Territory, West-Australië en Zuid-Australië van onze lijst, waardoor ons nog rest: Victoria, het Australian Capital Territory (zeg maar gewoon hoofdstad Canberra) en Tasmanië.
Met de ondergrondse stoffigheid van Naracoorte nog in onze kleren, daverden wij alweer een nieuwe staat binnen (Victoria), waar wij onze aankomst vierden als een stelletje landlopers (dat zijn we tenslotte het grootste deel van de tijd) door ergens ten velde (of beter ‘ten dorpe’) halt te houden, de handrem aan te trekken en vredig in ons achterruim te kruipen.
Na het gloren van de dag gooiden wij ons slakkenhuis weer in gang, de boer op, op weg naar het Grampians NP. De korte wandelingetjes naar de Balconies en de MacKenzie waterval dienden om onze kuitspieren los te gooien, de dijen op te warmen en de longen even te verluchten, alvorens wij ons aan het zwaardere werk waagden op weg naar ‘de Pinnacle’.
Onze afgesleten schoenzolen zochten wanhopig naar grip toen we de Australische Grand Canyon doorkuisten, op en tussen de hoekige rotsen door, steevast hoger en hoger klimmend. Eindelijk boven, uithijgend op de rand van het uitkijkpunt, zagen wij verstrekkende vertes, oppervlakkige vlaktes en onherbergzame bergjes. Vogels gleden ver beneden onze voeten door de lucht, en de lucht zelf leek net dat ietsje pietsje dunner te zijn dan normaal.
Holderdebolder stuiterden wij naar beneden, fluks weer ons automobieltje in, en jassen maar, verder zuidwaarts naar het bekendste stukje kustlijn van het land, de Great Ocean Road; maar daarover, beste vrienden, vertellen wij u pas een volgende keer. Tot het zover is, geldt slechts de volgende leus: een ongeduldig man, is er geen waard!


Een dikzakhagedis (dit is niet de officiële benaming van het beestje)


De balkons


De 'grand canyon'


Twee verfijnde hagedissen die een spelletje spelen



Geklauter op weg naar boven



Een iets vlakker stuk



Weer tussen de rotsen in...



even pauzeren want we zijn bijna boven...



en hopsakee, op de top van de Pinnacle


Flink weer bergaf (niet goed voor de knietjes) naar de parking.


Een waterval die in het niets verdwijnt...


en een echidna die zijn leven waagt (op zijn dooie gemakje)

vrijdag 22 oktober 2010

22-10 Zuid-Australië in een notendop

Het eerste wat wij tegenwoordig doen wanneer we een grootstad naderen, is naar de garage gaan. Ons busje is zoals bekend niet meer van de jongste en ziet bij momenten erg af bij het afleggen van de laatste, zware loodjes. De ‘universal joints’ van onze ‘tail shaft’ (vergeef ons het gebrek aan vertaling) weigerden dienst en werden dus zonder dralen ontslaan en vervangen door gloednieuwe, vers van de pers.
Terwijl de garagist zich smerig maakte, sloften wij door de residentiële wijken van Adelaide, van het ene kleine, schattige, besmeedijzerde Victoriaanse huisje naar het andere, langs leuke winkeltjes en drukbezette terrasjes. Des te meer straatjes wij insloegen en hoekjes we omgingen, des te meer zagen wij dat het goed was.
In de geschiedenisboeken kan je lezen dat Adelaide op een mooie dag in het verleden een visionair burgemeester (met aandacht voor stedenbouw) had, en in het echt kan je de effecten van zijn grootse plan nog erg goed merken: rondom het stadscentrum ligt een (weliswaar véél, véél te brede, maar toch) groengordel (met fiets- en wandelpaden, sportvelden, hondenclubs, speeltuinen, parken, …) die de leefbaarheid van de stad – pats – maal twintig doet, en nu, zoveel jaar later, nog steeds ongelooflijk veel potentieel biedt voor nieuwe, groene openbare ruimte vlak aan het stadscentrum. Aan de hele noordzijde van de stad, met de rug tegen de bovenvermelde groenzone, ligt bovendien een strook met prachtige oude gebouwen: het museum van Australië, de South Australian Art Gallery, het Migratie-museum en nog een paar andere musea, de staatsbibliotheek, het parlementsgebouw, de ambtswoning van de staatspremier); met andere woorden: een vette cultuurkluif.
Adelaide verraste ons dus aangenamer dan dat de gemiddelde leeuw de gemiddelde gazelle doet verschieten.

In het niet zo geslaagde nieuwe busstation van Adelaide wisselden wij Nederlandstalige groeten uit met Katleen (een gewaardeerde ex-collega die dertig dagen lang groepsreisgewijs van Australië kwam proeven). ’s Avonds gingen wij mee uit eten met haar gezelschap in de Barrossa Valley, en toen zij de volgende dag weer de fiets op sprongen om verder door de golvende wijngaarden te snellen, stelden wij onze smaakpapillen op de proef in het kleinste maar fijnste wijnhuis dat we tot nu toe hebben gezien, om daarna de grootste en bekendste Australische wijnboer (misschien zegt Jacobs Creek u iets?) minder interessant te vinden dan de gemiddelde stand-up komediant met keelpijn.

De daaropvolgende dagen was het weer de beurt aan de natuur, te beginnen bij het Cleland Conservation Park, waar we dollere pret beleefden dan in het (u raadt het al) gemiddelde zomerse pretpark. We streelden koala’s over hun pluizige poep, kregen hongerige kangoeroes zo ver om ons met beide pootjes vast te grijpen en gretig het eten uit onze handpalm te knabbelen, zagen zoveel verschillende soorten kangoeroes en wallaby’s dat het ons nog altijd niet duidelijk is wat nu het juiste verschil is tussen de twee, en stonden oog in oog met een groepje emoes, het soort loopvogel waarvoor ongetwijfeld, en nog niet eens zo héél lang geleden, het gezegde “schoon van ver, maar verre van schoon” werd uitgevonden.
In Naracoorte deden wij een avondlijke poging om ons tussen ‘het volk’ te mengen en op stap te gaan, maar vermits er niets beters te vinden was dan een zeer vreemd buurtcafé vol vreemde schapenboeren en hun erg vreemde wederhelften (geef toe, een erg eentonig uitreksel van de gemiddelde Australische populatie), staakten wij onze poging en stelden we deze uit tot betere tijden.
Gelukkig waren we daar niet echt voor bovengronds vertier, maar wel voor de ondergrondse rijkdommen van het Naracoorte Caves NP (op de lijst van Unesco Werelderfgoed omwille van zijn continue reeks fossielvondsten uit alle vastgestelde tijdsperioden), vol druppende stalactieten, tergend traag groeiende stalagmieten en grot na grot met botten en andere restanten uit lang vervlogen tijden… spooky!


Adelaide: oud en nieuw



Adelaide: stadszichten



Adelaide: openbare kunst



Cleland CP: Tasmaanse Duivels!


Cleland CP: Hanne vs Emu


Cleland CP: Bart vs Kangoeroe


Cleland CP: Hanne vs Slaapkop


Cleland CP: Koala vs Eucalyptus


Cleland CP: Hanne vs Koala


Cleland CP: Bart vs Wallaby


Cleland CP: Wallaby vs Wallaby


Cleland CP: Kangoeroe vs Joey (zo heten de kleintjes in de buidel)


Cleland CP: Hanne vs Mini Kangoeroe (of is het een Wallaby?)
In ieder geval, 't is een schattig beest.


Cleland CP: Echidna vs een betonmuurtje


Cleland CP: Hanne vs Kangoeroe met Joey





De grotten en schatten van Naracoorte

maandag 18 oktober 2010

18-10 Een, twee, drie, stappen!

We klaagden er al eerder over, en terecht, want sinds ons vertrek uit Perth is mooi weer niet bepaald onze beste bondgenoot geweest. Ook in South-Australia bleek het – wij citeren uit het gevarieerde aanbod van de u welbekende Sabine Hagedoren – fris, bewolkt met regelmatig kans op buien.
Ondanks dit alles stonden er enkele dagen van buitenshuis natuurvertier op het programma. Op dag één bracht het Dutchman Stern NP (niet voor de eerste, maar wel voor de laatste keer: NP staat voor National Park) ons een adembenemende (zowel letterlijk als figuurlijk) wandeltocht van iets meer dan 8 km vol paarse veldbloemen, kronkelige bomen en luierende kangoeroes, plus twee knotsgekke berggeitjes en een paar pijlsnelle konijnen.
Die avond zagen wij op de weg voor het eerst geen dode maar springlevende kangoeroes, al stond hun hoofd er schijnbaar meer naar om bij de platgereden eerste categorie te belanden, dan om in het rijk der verende buideldieren te blijven vertoeven.
Even verderop ligt het Flinders Ranges NP, waar we de Wilpena Pound introkken, een gigantisch ovaalvorming natuurlijk bassin (een soort krater, maar dat mag je hier niet gezegd hebben) dat gebruikt werd als kant-en-klare omheinde schapenweide en graanboerderij, tot een zondvloed op een dag roet in het eten kwam gooien en het werk van tien jaar om het gebied toegankelijk te maken voor paard en kar teniet deed.
Bij wijze van drie-op-een-rij begonnen we in Mount Remarkable NP opnieuw aan een avontuurlijke stap in de wereld langsheen de Alligator Gorge, die met eindeloos geduld al eeuwenlang wordt uitgesleten door een voor de gelegenheid (en door de uitgebreide regenval van de voorbije dagen en weken) gezwollen rivier. Onszelf een weg banend van rotsige oever naar rotsige oever, stapstenen bijleggend om geen natte voeten te oogsten, klimmend en klauterend langs de druipende rotswanden, kwamen we voor een onoverbrugbare hindernis te staan ter hoogte van ‘de Narrows’ (de Engtes), een kloof van slechts een meter breed, waar het water dieper stond dan onze benen lang zijn.
Rechtsomkeer maken was de enige oplossing, en na (ditmaal iets gezwinder door de vrijgemaakte baan) een nieuwe portie steentje-springen en teentje-wringen waren we weer bij af, klaar met Moedertje Natuur, klaar voor de volgende grote stad: Adelaide.


uw geografisch verduidelijkende vriend: de kaart!




Dutchman Stern - wilde kangoeroes


Dutchman Stern - woeste berggeiten



Dutchman Stern - waanzinnige afgronden


Dutchman Stern - wonderlijke bloemperken


tussendoor een bevlogen zonsondergang...


en een onbevlogen ochtend


Flinders Ranges - een overdreven snel in mekaar gedraaid panorama van de Wilpena Pound







Mount Remarkable - een vervaarlijk slipperige riviertocht