donderdag 14 oktober 2010

14-10 De laatste strookjes kust van West-Australië

Nog maar net de grandeur van de zuidelijke wouden van ons afgeschud, opende de horizon zich weer en was er zee in zicht. Vlak bij Denmark staan de bomen met hun tenen tot in het water en ietsje verderop is het weer een en al idyllisch strand in het William Bay National Park. De Greens Pool kon ons ondanks de visuele lokroep niet tot zwemmen brengen (al lag dat vooral aan het nog steeds bewolkte weer en de frisse temperaturen), en dus hielden wij het droog en warm met een toffe wandeling richting de Elephant Rocks die wat verderop onbeweeglijk in het water lagen. Veilig en beschut parkeerden we die avond onze slaapkamer aan Cosy Corner Beach, een plekje dat zijn naam alle eer aandeed met zijn windtrotserende duinen en beschermend kromgegroeide bomen. Enkele tientallen kilometers verderop ligt er opnieuw een dikke streep dramatische kustlijn in het Torndirrup National Park nabij Albany. Een gapende rotskloof (the Gap) en een door erosie uitgehouwen brug (de Natural Bridge) deden ons denken aan wat wij ons voorstellen bij een onbewoond Grieks eiland, ruw, knoestig en puur – een gevoel dat bizar genoeg alleen nog maar werd versterkt door on-Griekse, ongure wind- en regenvlagen. Albany zelf is geen stadje om over naar huis te schrijven (behalve dan dit ene zinnetje), dus daar verloren wij geen tijd en iets later stonden wij in het Porongurup National Park voor een wegversperring en een bord dat aankondigde dat de wandeling die wij in ons hoofd hadden, gesloten was wegens onderhoudswerken aan het pad. Een maat voor niets dus vermits alle andere wandelingen in de streek belachelijk ver weg waren. Vermits hoop doet leven, trokken we dan maar door naar Esperance, een van de weinige plekjes in Australië waar de Fransen even wat in de pap te brokken hebben gehad. Onder de niet aflatende begeleiding van slecht weer, voltooiden wij de plaatselijke ‘scenic drive’ langs de kust en wierpen wij een blik op het Pink Lake dat jammer genoeg niet roze bleek, zoals het wél doet als alle weersomstandigheden goed zitten. Aan de andere kant van Esperance, in het Cape Le Grand National Park, trokken wij onze stoutste (en stilaan licht versleten) schoenen aan met als doel de top van de Frenchman Peak, een massieve en kale granieten rotsberg, met bovenaan enkele schuilgrotten en een huizengroot gat net onder de top. Na een winderige en steile tocht en na soms noodgedwongen op handen en voeten als bedreven klimgeiten ons een weg te banen, draaiden wij meermaals rond onze as om het spectaculaire 360°-zicht tot ons te nemen. De rukwinden bleven ons ook op de afdaling gierend om de oren vliegen, maar zonder ongelukken bereikten we weer vlak terrein en toen we van tussen de struiken het zand van Lucky Bay opliepen – officieel het witste strand van Australië – bleek dat (zonder zon en met de door de regen meegevoerde vuiligheid vanuit de omliggende struiken) eigenlijk een boeltje dat zowaar voorzien was van een onwelriekend geurtje. Onze laatste dag in West-Australië kreeg toch nog een mooi en gezellig einde in de weersbestendige tent van een Vlaams koppel met drie (drie!) kinderen (vijf, zeven en negen jaar jonge koters) die al kamperend met jeep en tent ook een jaar lang op sjok zijn hier Down Under. Wij verklaarden hen voor zot, maar blijkbaar loopt alles nog op (vier) wieltjes…


De kaart


De parking van Porongurup NP


Greens Pool



Verraderlijke stukken op weg naar...


... de Elephant Rocks


Camperen in de Cosy Corner




Natural Bridge en The Gap in Torndirrup NP


De Frenchman Peak (let op het gat!)



Twee licht verschillende benaderingen van de top


Het zicht rondom


en weer naar beneden...


livestreaming van op de Frenchmen Peak


Lucky Bay bij onparadijselijke weersomstandigheden

dinsdag 12 oktober 2010

12-10 De zuidelijke wouden

Met de regen ratelend op onze voorruit, lieten wij zoals gezegd Kenwick steeds verder achter ons en na flink wat hellingen op en af te sjeezen, beëindigden wij de dag in Bridgetown, een naar Australische normen charmant stadje (en dat hoor je ons niet vaak zeggen, al zullen onze normen ondertussen al wel wat verlaagd zijn).
Het landschap dat wij tijdens het rijden in onze ooghoeken zagen voorbijglijden, was nieuw – hoewel, nieuw, het deed denken aan de Ardennen, maar dan met andere soorten (voornamelijk grotere) bomen: Karri, Jarrah, rode en gele Tingle en nog meer paljassen waarvan de naam ons nu ontschiet.
Verspreid doorheen deze wouden (die in het Engels luisteren naar de naam ‘Southern Forests’) staan klimbomen; lange, slanke loeiers van bomen waar ijzeren pinnen in de stam zijn geslaan waarlangs de waaghalzen draaitrapgewijs tot in de top kunnen klauteren. Oorspronkelijk werden deze klimbomen gebruikt om de exacte positie van bosbranden te kunnen lokaliseren door de coördinaten van een brand vast te stellen vanuit twee of meerdere uitkijkpunten.
De hoogtevrezer in ons deed een eerste poging om de 55 meter hoge Diamond Tree te bedwingen nog mislukken, maar na een ommetje in Pemberton en een verbeten tweede aanval, kwamen wij ondanks beangstigende ogenblikken als winnaars uit de strijd. Triomfantelijk speurden wij van in de uitkijkpost boven het omliggende bladerdek de wijde horizon af.
Hier en daar zagen we beboste heuvelflanken afgewisseld met wijngaarden, en toen we weer met beide voeten op de grond stonden, gingen we met de in Perth opgedane kennis en ervaring op een van de gespotte landgoederen organische cider proeven (onder ons gezegd en gezwegen: jakkie).
Onze boomdrift was nog niet ten einde want de volgende dag (de hemel was trouwens nog steeds bekleed met een donkergrijs wolkentapijt waar al eens wat water uit durfde te vallen) begaven wij ons alweer doorheen hooggelegen bladerdekken in Walpole. Over de gigantische overspanningsbruggen van de Tree Top Walk gingen wij van de ene gigantische boomkruin naar de andere. Even later stonden we zelf weer beneden, tussen de bombastische holle stammen van de Valley of Giants, die ondanks aanhoudende samenzweringen van vuur, insecten en schimmels, weigeren te sneuvelen en fier rechtop blijven staan, waarvoor ons eeuwige respect.


De kaart


De vervaarlijk hoge Diamond Tree



De eerste poging op de spiraalladder



Halverwege poging twee: een onheilspellend waarschuwingsbord op het enige rustplatform


Fier als een gieter, boven


De onvermijdelijke tocht weer naar beneden


De man zonder schaduw (of was het andersom?)




De Tree Top Walk


Bart in een holle boom


Bart in de kinderhoek (tot 1994 mocht men effectief in een holle boom parkeren en dit soort plaatjes schieten; de boom in kwestie is ondertussen mede hierdoor overleden)

zaterdag 9 oktober 2010

09-10 Afscheid

Na negen weken monotoon en hard labeur (niet altijd, maar bij momenten was het toch fysiek erg zwaar) zaten wij aan het einde van ons Latijn. Het vroege opstaan (de laatste twee weken zelfs om tien voor vijf), de oneerlijke backpacker-behandeling (niet extra betaald worden op feestdagen en ook niet bij meer dan 38u per week, zoals alle anderen) en de overdreven zweterige temperaturen in de serres, eisten hun tol.
Bovendien hadden wij zo goed als alles in en rond Perth met eigen ogen gezien, dus klonk de lokroep van nog niet bezochte streken ons weer luid in de oren en was de tijd gekomen om weer op pad te gaan, terug in de kleine schulp van ons mobieltje.
Naast een fikse achteruitgang in comfort was er natuurlijk ook nog het afscheid. Reizen is niet alleen nieuwe vrienden maken, maar diezelfde vrienden ook weer achterlaten. Positief als we zijn, vierden wij het afscheid met een avondfeest voor zes, waar alle magen gevuld werden met allerhande Mexicaanse lekkernijen – en met de hilarische manier waarop Australiërs fajitas zeggen nog nagalmend tussen onze trommelvliezen, trokken wij de deur te Kenwick achter ons dicht en navigeerden wij gestaag verder Down Under, op naar de dicht beboste gebieden van het zuidwesten.


De laatste 'gestolen' bloemen


Ryan en Jess had u al eens gezien, hier nu een gezicht voor Jade en Kate

zondag 3 oktober 2010

03-10 AQWA

Dit weekend zijn wij gaan onderwaterwereldwonderen. Samen met Ryan en Jess trokken we naar AQWA, het staatsaquarium van West Australië, waar een overzicht wordt gegeven van alles wat zwemt en zwiebelt in de blauwe wateren van de westkust.
Vermits wij zelf al enkele keren in gepaste kledij in die wateren hebben gesparteld, zagen wij af en toe diertjes die we ook al in het wild hadden gespot, maar over het algemeen konden wij ons opperbest verbazen. Zo was er een hele sectie gewijd aan ‘gevaarlijke vissen’, gaande van dodelijke pijlstaartroggen, kleine hapgrage vissen en knotsgekke rariteiten zoals de draakvis, die erg veel weg heeft van een verdwaald zeewier.
In de kwallensectie moesten we goed turen naar de doorzichtige rakkers, die blijkbaar niet echt goed kunnen zwemmen, maar zich door de stroming heen en weer laten zwiepen. Het zien er dan ook maar magere beestjes uit en op de gevoelige plaat komen ze er steevast uit als in een röntgenfoto.
Daarna liepen we via een glazen tunnel over de bodem van een groot aquarium waar haaien, gigantische roggen en zeeschildpadden langs je neus en over je hoofd heen glijden alsof je een zandkorrel op de oceaanbodem bent.
In het volgende gedeelte draaide die situatie helemaal om, want daar hing jong en oud wijdbeens over de rand van de ‘aanraakvijver’ heen, de handen stevig in het water. Je kan er kleine roggen (klein is relatief, want ze zijn pakweg een halve meter lang), even ‘kleine’ hondshaaivissen aaien en tussendoor wat zeekomkommers en –sterren in de poten knijpen. Vreemd genoeg voelen al deze schubbige en glad ogende beesten niet aan zoals ze eruitzien, maar lijkt hun huid gemaakt van grof en harig schuurpapier.
Met kinderlijke tegengoesting trokken wij onze handen terug en doopten dezen daarna onder de kraan om ze flink schoon te schrobben alvorens we weer koers zetten naar de gekende, bovengrondse mensenwereld, waar de lucht ondertussen lichtgrijs was, de weg nog steeds licht krommend en het licht al bijna donker.




Koraal in een glazen doos


Zoek de zeewier-vis (ook de Draakvis genoemd)!




Pijlstaartroggen en haaien vanuit de glazen tunnel.


Een kiekje van uw lymfeklieren of toch kwallen?


Een grappige paling (in het echt toch zeker)


Een dodelijk geval als hij je prikt...


Neefjes van Nemo de clownvis


Zeesterretje pakken!


Een 'kleine' rog

zaterdag 2 oktober 2010

02-10 De zevende dag.

Onze vrienden zetten zichzelf op zaterdagmorgen steevast op tijd uit bed om naar de kerk te gaan. In tegenstelling tot bij ons, waar je in het overgrote deel van de gevallen bij een Katholieke misviering zou terechtkomen, is er in Australië net zoals in Amerika een bont allegaartje van religieuze strekkingen: Anglicanen, Katholieken, Protestanten, Orthodoxen, Lutheranen, Evangelisten, enzoverder enzovoort.
Wij (en vooral onze nieuwsgierigheid) lieten ons overtuigen om eens een kijkje te gaan nemen bij de wekelijkse Seventh Day Adventist-viering.
De adventisten baseren zich op het Oude Testament, de Tien Geboden en houden de wekelijkse rustdag van God daardoor op zaterdag (de zevende dag van de christelijke week) en niet op zondag zoals gebruikelijk. Zij geloven dat de Bijbel de waarheid bevat over alles wat geloof en Christelijk gebruik betreft, maar aanvaarden dat de historische en wetenschappelijke details (irrelevant voor het geloof op zich) fouten kunnen bevatten.
Samen met zo’n driehonderd andere mensen, gaande van piepjong tot zeer oud, vaak uiterst proper uitgedost, gingen wij dus naar de kerk. Het gaat hier om een gebouw dat in de verste verte niet aan een kerk doet denken, maar eerder aan een parochiecentrum.
Via een gesofistikeerd draadloos microfoon- en luidsprekersysteem, luisterden wij aandachtig naar een hele reeks mooie hedendaagse gezangen, gebracht door verschillende groepen, allen met uitgebreide instrumentale begeleiding (piano, gitaar, slagwerk, keyboard).
Een licht grijzende man riep alle kinderen naar voor en vertelde hen enthousiast een dierenverhaal over hulpvaardigheid, er werd een gedicht voorgedragen, daarna werd er meer gezongen, een kort gebed gesproken, alweer gezongen en toen was het voorbij. Geen priester dus, al is er normaal gezien ook nog een spreker die een religieus thema aankaart – allemaal een stuk losser en informeler dan bij ons (vandaar allicht de veelvuldige opkomst) en zeer de moeite om eens mee te maken, al is de kans erg groot dat wij volgende zaterdag weer gewoon lui uitslapen.

Na de viering mochten we met de hele familie mee gaan lunchen bij de ouders van Ryan en Jade, waar wekelijks een grote bende bij mekaar komt: drie broers met hun respectievelijke vriendinnen, de zus, enkele vrienden, uiteraard de ouders, en deze week nog extra ‘de Belgen.’ Voor de derde keer die week (puur toeval) aten wij lasagne, maar vermits wij dankbaar waren voor onze maaltijd (en vermits het lekker was), hoorde niemand ons daarover klagen.

dinsdag 28 september 2010

28-09 Vitamientjes

Ondanks het feit dat de komkommer van dezelfde familie is als de meloen, en van hetzelfde geslacht als de courgette, verschoten wij ons een kamelenbult toen wij de grootste komkommer op aarde tegen het lijf liepen.
Bijna een halve lopende meter vuistdikke groenigheid, meer dan duizend gram (één kilo en tachtig gram!) waterige sappigheid, klaar om te verdwijnen in een fikse portie Griekse salade. Heerlijk!


Komkommer vs tomaat


Komkommer vs mes en vork

maandag 27 september 2010

27-09 Een eigen huis, een plek onder de zon

Den Belg is geboren met een baksteen in de maag. Sommigen onder jullie hebben die baksteen al lang geleden opgehoest, bij anderen is hij momenteel volop aan het ontsnappen, en bij nóg anderen (waaronder wij) zal het nog een tijdje (of misschien zelfs eeuwig) duren eer ze ervan verlost zijn.
Met al het dorre open land dat hier in Australië voor het grijpen ligt en onder druk van de voortdurende bevolkingsaangroei, verkavelt men er hier nog lustiger op los dan bij ons. Rond Perth alleen al kan je op een stuk of drie, vier plaatsen terecht voor telkens een paar duizend nieuwe, op maat gesneden lapjes grond.
Al de bouwlustige Australiërs hebben geen last van bakstenen in de maag. Geen ontembare drang naar het zetten van hun eigen, gepersonaliseerde droomhuis om voor eens en altijd in te wonen. Australiërs sleutelen liever op de deur, bemoeien zich pas met hun bouw als hij er bijna staat en gaan vijf jaar later alweer op zoek naar iets groter, beter of gewoon nieuwer. Voor het kiezen van hun badkamertegels of het materiaal voor hun keukentablet bladeren zij niet graag door een catalogus, maar gaan zij in hun favoriete verkaveling op bezoek in het ‘display village’.
Een display village is exact wat de naam zegt: een verzameling van kijkwoningen; niet één, niet twee, maar minstens tien en over het algemeen bijna twintig. Alle sleutel-op-de-deurfirma’s staan er broederlijk naast mekaar, zij aan zij zo goed als hetzelfde showmodel tentoon te stellen.
Nieuwsgierige neuzers als we zijn, deden ook wij de toer, van mini-voortuintje naar mini-voortuintje. Bij het binnenkomen val je ofwel bijna in de ‘ensuite’ master bedroom, ofwel sta je met je beide voeten op het tapijt van de ‘theatre room’. Verderop glijd je van de ene ruimte de andere in, steevast langsheen een studeerkamer, een eetkamer, een zithoek, een keuken, een webcorner, een wasplaats en een reeks kinderkamers.
Grote huizen dus. Serieus grote huizen, alles op één gelijkvloers geduwd. Meestal is het stuk grond tussen de vier- en vijfhonderd m² en daarop dondert men dan zonder enig gevoel voor oriëntatie een huis van driehonderdvijftig à vierhonderd vierkante meter, hetgeen behalve het reeds vermelde mini-voortuintje nog plaats laat voor een zogeheten ‘al fresco’, een stukje terras dus (dat precies liever niét gekoppeld is aan de keuken en eetkamer, dan wél, Joost mag weten waarom); en een streepje achtertuin.
Bovendien staan deze vrijstaande villa’s niet op zo’n drie meter van de perceelsgrens, maar op één meter. Gezellig dicht bij mekaar, op het ritme van: mijn huis, een smal gangetje (net breed genoeg om je ramen te kunnen kuisen), een lelijke metalen schutting (een haag vergt uiteraard veel te veel onderhoud), opnieuw een smal gangetje (net goed genoeg om de airco-module op kwijt te kunnen) en dan de buren (we zijn nog maar nét twee meter verder).
Je kan je voorstellen dat wij wat betreft de buitenruimte compleet onbegrijpend onze ogen uitstaarden. Het klimaat is hier twaalf keer zo begerenswaardig als het Belgische, maar niemand ligt wakker van wat er buiten zijn muren beweegt, van een terras, een tuintje of een stukje gazon om de kinderen op te laten spelen (vaak komt er buiten dan nog vanalle rommel te staan vermits er geen kelder, zolder of bergruimtes voorzien zijn).
Twee verdiepingen bouwen om minder grondoppervlakte in te nemen? Ho maar, wete gij wel wa da da koooost? Volgens ons niet zo schabouwelijk veel meer, maar wij zijn uiteraard slechts een stelletje toeristen. Geef ons maar onze eigen Belgische manier van bouwen, of een van de oudere en wél zin- en karaktervolle Australische optrekjes, van waaruit we af en toe zo’n kijkwoningen-uitstap kunnen doen, want – het moet gezegd – dat is als niet-bouwlustig bezoeker uiterst vermakelijk!



Helicopterbeeld: huizen in een wijk als sardientjes in een blik


Geloof het of niet: een erg groot uitgevallen achtertuin


Een smal gangetje


Let op de 'entertaining' zithoek naast de 'family' zithoek, en even verderop de loungeroom (hetgeen tenslotte een fancy woord is voor... een zithoek)


Iedereen die aanbelt kan zo mee de film volgen!

zaterdag 25 september 2010

25-09 Een gastronomisch weekend

‘Gastronomie’ is de kunst van lekker eten en drinken; de verfijnde lekkerbekkerij, het culinair genot, het likkebaardende gesmulpaap, de fabelachtige fijnproeverij. Het motto: ontdekken, ervaren en genieten.
Ons gastronomisch weekendavontuur begon samen met Jade en Kate op zaterdagavond in South Perth, in een klein Italiaans restaurantje ‘Ciao Italia’, bekend om zijn reusachtige porties. Je kan er niet op voorhand reserveren en als alle tafeltjes bezet zijn, wordt er een wachtlijst aangezet. Het restaurantje is zodanig populair dat elke avond opnieuw tientallen mensen buiten op de straat hun beurt staan af te wachten om met veel zwier naar binnen te worden geroepen.
Eens binnen, overvalt je een Italiaanse mix van lawaai, drukte en gezelligheid. De tafeltjes staan zo kort op mekaar geduwd dat de obers bijna onder de tafels moeten doorkruipen en je met je elleboog in de bruschetta zit van de vrouw twee tafels verderop.
Met ons gevieren bestelden we twee pasta’s en één pizza. Na een zeer verdienstelijke poging en nog een paar flinke happen meer uit goesting dan uit honger, raakten de pasta’s bijna op, en bleef van de pizza nog slechts de helft over – zowaar geen slecht gemiddelde in vergelijking met de andere tafels.
De volgende dag vertrokken wij al in de voormiddag om al dat eten door te spoelen met de wonderlijke wijnen uit de Swan Valley. Tijdens onze Australische omzwervingen zijn wij al meerdere wijnstreken gepasseerd, maar omdat we niet wisten dat wijnproeven een gratis bezigheid is, waren we er nog nooit toe gekomen. Ryan en Jess namen ons nu op sleeptouw van de ene wijnproducent naar de andere (het ene al chiquer dan het andere), waar we termen als boeket, tannines en aroma’s op tafel gooiden in ruil voor uitgekiende reeksen alcoholisch druivensap.
Terwijl Ryan telkens één of heel veel meerdere flessen aankocht, namen wij vrede met een buit van twee flessen halfdroge witte wijn (voor meer hebben we tenslotte geen plaats in ons minibusje). Op de terugweg pleegden we nog een denderende bomaanslag op onze smaakpapillen bij een proefsessie in een koffiebranderij, en terwijl onze versplinterde tong weer bij z’n positieven kwam, rinkelden en klingelden de wijnflessen in de koffer vrolijk als een kind met een lekstok zo groot als een olifant.





zondag 19 september 2010

19-09 Sunday at Subi

Het tv-gazetteke dat hier elk weekend bij de krant steekt, bestaat grotendeels uit brol. Zelfs het eigenlijke informatieve gedeelte is tamelijk onuitnodigend om te lezen en enkel voor doorzetters weggelegd. Het enige wat buiten de coverfoto waarlijk interessant is, is de ‘wat is er (gratis) te doen’-sectie op pagina twee.
Sprong ons in het oog: “Afro-Cuban salsa-ensemble Sabroson @ Subiaco Arts Centre, zondagnamiddag, kaartjes worden zomaar vriendelijk uitgedeeld aan de gewillige ontvangers zolang de voorraad strekt.”
U moet weten dat Subiaco een sjieke wijk is waar Mr. Hip en Mrs. Trendy hand in hand gaan en waar Sir Blits een koffietje gaat drinken met Lady Fancy nadat ze de boetiekjes hebben uitgecheckt. De huizen zijn er stijlvol (zagen wij met jaloerse blikken) en de straten rustig.
Tegelijkertijd staat de buurt bekend voor zijn (haar?) groentemarkt, die zoals schijnbaar alle Australische groentenmarkten wordt uitgebaat door Aziaten, waardoor het hele gebeuren ontaard in een mierenhoop van mensen die onder mekaars armen door een spotgoedkope verse krop sla pogen te bemachtigen terwijl drie anderen zich voorbij proberen te wurmen om twee meter verderop touwtjetrek te doen met een afgeprijsde tros bananen.
Een stralende dag was het die zondag, dus was het wat zonde dat wij het donker van de concertzaal introkken, maar big-band Sabroson (met slechts één echte latino, die figuurlijk wat uit de toon viel) speelde prima deuntjes; zozeer dat onze benen neigden naar het maken van wat danspasjes – helaas zaten zij stijf en diep verankerd in zachte zeteltjes.
Een beetje een foute zaalkeuze dus wat ons betreft, maar flierefluitend en met een koffer vol met groenten voor een prikje, rammelkarden wij tevreden weer naar Kenwick.


Een hippe voortuin


het Subiaco Arts Centre


Sabroson

vrijdag 17 september 2010

17-09 Open brief aan Albert II, koning der Belgen

Beste lezers, diep begaan met het lot van het thuisfront, kunnen wij ons niet zonder slag of stoot het vooruitzicht laten ontnemen terug te keren naar ‘het land België’. Vermits wij tijdens ons hersenloze werk met de voor de hand liggende oplossing van het probleem voor de pinnen kwamen, brengt deze aflevering u geen nieuws over wat hier gebeurt, maar een kopie van wat verguld en verzegeld ook aan ons staatshoofd werd bezorgd. Ziehier.


Majesteit,
het gaat niet goed met ons land, maar dat weet u. De reden van deze brief is dan ook niet om u er nog eens even extra met de neus op te duwen, maar om een mogelijke oplossing aan te reiken.
Wij bevinden ons – al zeggen we het zelf – momenteel in een ietwat ongewone maar daarom niet oninteressante positie om de Belgische situatie te beoordelen: ver ver weg, maar vooral: ondersteboven. Een aparte kijk dus.
Pas weken na datum zullen wij vernemen dat men op wonderbaarlijk Belgische wijze via een toegift op een licht afgezwakt compromis overeengekomen is een federale regering te vormen. U, te midden van alle commotie, wordt daarentegen voortdurend belaagd in het koninklijk paleis.
Gezien de ondertussen vertrouwd geworden impasse, lijkt ons nu het goede moment om de Belgische situatie eens simpelweg op zijn kop te zetten. Geen politiek meer. De toekomst van België ligt niet in de handen van de kiezer. De kiezer kleurt een van de bolletjes op de hem voorgeschotelde lijst, nadat hij met zichzelf bewust of onbewust compromissen heeft moeten sluiten; om dan met lede ogen de verkozenen mekaar te lijf te zien gaan met straffe stoten, sterke taal en slapeloze nachten vol strategieën om het land te splitsen. Neen, de toekomst van België ligt niet in de politiek, beste vorst, maar in onze onbereikte dromen.
Wat wij Belgen vele malen méér nodig hebben dan een premier, is iemand die we zelf zouden willen zijn. Iemand waarvoor wij onze nationale trots weer opdiepen, opblinken en fier als een gieter in de voortuin placeren, naast onze favoriete tuinkabouter, ons lichtgevende Rudolf-het-rendier en ons (doldriest gekortwiekt) gazonnetje. Iemand die we kunnen bejoelen voor wat hij of zij is: een Nationale Held. Twee graag, drie als het even kan.

Hoe ziet dat er uit, zo’n nationale held, waar vind je dat en wat moet dat kosten, vraagt u zich ondertussen af. Wel, wij weten het ook niet helemaal. Zeker is dat we het niet in de sport moeten gaan zoeken. Er zijn over de hele wereld geen Maradonna’s meer, geen Michael Jordans, geen Mohammed Ali’s, laat staan in België.
Op de wederopstanding van de Rode Duivels kunnen we niet wachten. Tommeke Boonen zal nooit op Merckxiaanse wijze de Tour winnen en Kim en Justine vertegenwoordigen ieder een andere helft van het land, dus daar schieten we niks mee op.
Artiesten dan? Brahim zal nooit een Michael Jackson worden, Natalia geen Madonna. Hugo Claus is niet meer en Jacques Brel is volgens de buitenwereld een Fransman. Zelfs de Grootste Belg aller tijden, Pater Damiaan, gelukkig stevig verankerd in ons collectief geheugen, past niet in het profiel.
De nationale held van tegenwoordig (dus ook die van de nabije toekomst) is iemand waar niet alleen wij, maar ook de rest van de wereld àlles over wil weten: de toekomst van België ligt in de showbizz.

Wat wij nodig hebben is een nieuwe Jean-Claude Van Damme, maar dan vol van talent, gladder van smoel en radder van tong.
Vergeet de preformateurs, beste sire. Roep Eric Van Looy, Jaco Van Dormael en de gebroeders Dardenne bij mekaar, duw hen op het eerste beste vliegtuig richting Hollywood en ontzeg hen de toegang tot ons land tot ze samen een meesterwerk hebben bekokstoofd, vol internationaal gewaardeerde Jan of Janine Decleirs in spe.
Wanneer wij dan als Belgen (want niemand ligt dan nog wakker van het feit of hij nu Vlaming of Waal is) massaal en broederlijk in het holst van de nacht voor ons tv-toestel hangen om dat bont allegaartje live ganse bergen Oscars te zien binnenrijven, kan u gerust op beide oren slapen zonder zorgen voor de toekomst.

Relatief gezien hoeft het dus allemaal niet te veel geld te kosten voor de staatskas, de nodige duwtjes in de rug op de juiste momenten, maken immers de man.

Graag horen wij van u, of lezen wij uw instemming binnen enkele maanden vanzelf wel hier in de plaatselijke krant.

Opperbeste groeten,
Hanne en Bart

ps. Als het u te ingewikkeld en tijdrovend lijkt om wereldsterren te creëren in luttele weken, rest er steeds nog ons onfeilbare ‘plan B’. Steek komisch duo David en Posh Beckham in een verhuisdoos, breng hen naar België en span hen voor onze kar met behulp van de snel-Belg-wet.
Alle aandacht zal op ons gericht zijn en België zal op de kaart staan, op dezelfde plek waar het altijd stond, maar dan tien keer zo gewééldig (zoals Eddy Wally het zou zeggen).


ps2. Iedereen die gehoopt had kortere berichten te krijgen, kan bij deze in een hoekje beginnen huilen.

dinsdag 14 september 2010

14-09 Brandstof

Australiërs zijn geen dieselrijders. Benzine stroomt hier door de aderen, en als het even kan aan een tempo van meer dan tien liter per honderd kilometer (de term ‘sportieve rijstijl’ is een understatement voor 80% van de chauffeurs hier en van ‘defensief rijden’ heeft hier nog nooit een mens gehoord).
Levend bewijs van de zeer beperkte populariteit van diesel is de stabiele literprijs. We hebben lange tijd geleden al eens vermeld dat de brandstofprijs in het weekend aanmerkelijk hoger ligt dan tijdens de week – niet waar bij diesel. De dieselprijs beweegt minder dan een gestrand containerschip, omdat de enigen die diesel tanken hem niet zelf moeten betalen: de truckchauffeurs.
De benzineprijs daarentegen is zodanig gecommercialiseerd dat hij op en neer gaat als een dobber bij het vissen in woelig water, al zit er dan (in Perth dan toch) systeem in. Donderdag is de dure dag. Vrijdag gaat er twee cent af, op zaterdag opnieuw, zondag ook, en zo gaat dat maar door tot woensdag; dan kost een liter benzine 12 cent minder dan 144 uur tevoren of 24 uur later.
Spaarzame vrekken als we zijn, tanken wij steeds op woensdag. Lange wachtrijen vallen ons zo ten beurt. Het hele tankgebeuren staat hier immers niet bepaald op punt. De ruimte tussen twee pompen is meestal te smal voor twee auto’s en de slangen waardoor de gouden vloeistof stroomt kunnen niet worden uitgetrokken, waardoor je altijd maar bij de helft van de pompen terecht kan. Betalen kan enkel binnen in het onvermijdelijke winkeltje (een betaalautomaat hebben ze nog niet uitgevonden) en bovendien moet je je auto ter plekke laten staan tot er betaald is, eer je plaats kan maken voor een ander. Een soepje dus; een soepje waar mijnheer Royco binnen de minuut jaloers op zou zijn.
Op die manier spenderen wij grote delen van onze vrije tijd geparkeerd, naast ronkende 4.0 liter V8 motoren (want in Australië is alles met een motor met minder dan twee liter cilinderinhoud een ‘klein autootje’, en zelfs al is het een Mini Cooper, een ‘klein autootje’ is stom en kan toch niet vooruit gaan!).